Sneeuwklokje
Sneeuwklokje kom je nu al kijken
buiten is het koud en fris
nergens zie ik andere bloempjes
weet je dat het winter is?
Daarom ben ik juist gekomen
dacht je dat ik dat niet wist
lente zal niet lang meer duren
heus ik heb me niet vergist!
Zachtjes luid ik nu mijn klokje:
tingeling, kom bloem en plant,
nu nog maar een heel kort poosje
dan komt lente weer in het land.
Liedje: Onbekend
Foto: © FotoAnna
Achterom kijken
Wie teveel achterom kijkt
komt nooit vooruit
Who looks to much backwards
will never go forward
Foto: © FotoAnna
Dooisterren
Door bijvoorbeeld wind en beweging van en in het water ontstaan soms prachtige vorm-
en en structuren in het ijs. Vooral langs waterranden zijn soms mooie uitstulpingen,
ribbels en figuren in en op het ijsoppervlak te zien. Een vrij bijzondere en niet heel vaak
voorkomende structuur is echter die van een ijsster, ofwel dooister. De sterren worden
vooral in verband gebracht met convectie. Een warme waterbel (een kwel) die vanaf de
bodem bijvoorbeeld omhoog borrelt. Na een onderzoek bleek dat de vorm vooral wordt
bepaald door de eigenschappen van de sneeuw die op het ijs ligt. Het is dus een
combinatie van opborrelend water en de sneeuw die op het ijs ligt.
Bron: Weer.nl
Foto: © FotoAnna
De rivier de 'Lek' wat is ze mooi...
De lek, de geur, de boten en het getij
Een plek waar ik dagelijks wil zijn
Met kou, sneeuw, regen of zonneschijn
Elke dag is ze anders, dat maakt me vrij
De lek is waar ik uren naar kan kijken
De stroming en de natuur langs de dijken
Ik wil zijn waar ze is die mooie rivier
Ik kan hier lang naar kijken met plezier
Geef me nog even om te turen
De lek is prachtig, ik sta hier al uren
De rivier de lek heeft mij gevonden
Mijn hele leven is ze aan mij verbonden
Gedicht: Wander
Foto: © FotoAnna
Wit landschap
Witte pracht in poeder vacht
betovering na winternacht
het groene gras verstopt
als wintermantel ontpopt
Toverwerk in winter macht
wie ben jij met deze kracht
speel met mij die kou veracht
zonnestralen glinsteren zacht
Witte wereld om mij heen
boom noch plant zijn alleen
een vlokje danst daar blind
vredig in de koude wind
Vogels vliegen daar voorbij
contrast in witte bomenrij
winter in koude stilte verwekt
met hemelse sneeuw bedekt
Bron: GedichtenStad
Foto: © FotoAnna
O 't ruisen van het ranke riet
O ‘t ruisen van het ranke riet!
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,
staat op en buigt ootmoedig weêr,
en zingt al buigen ’t droevig lied
dat ik beminne, o ranke riet!
O! ’t ruisen van het ranke riet!
hoe dikwijls, dikwijls zat ik niet
nabij den stillen waterboord,
alleen en van geen mens gestoord,
en lonkte ’t rimplend water na,
en sloeg uw zwakke stafjes ga,
en luisterde op het lieve lied,
dat gij mij zongt, o ruisend riet!
O ’t ruisen van het ranke riet!
hoe menig mens aanschouwt u niet
en hoort uw’ zingend’ harmonij,
doch luistert niet en gaat voorbij!
voorbij alwaar hem ’t herte jaagt,
voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
maar uw geluid verstaat hij niet,
o mijn beminde ruisend riet!
Nochtans, o ruisend ranke riet,
uw stem is zo verachtelijk niet!
God schiep den stroom, God schiep uw stam,
God zeide: ‘Waait! . . .’ en ’t windje kwam,
en ’t windje woei, en wabberde om
uw stam, die op en neder klom!
God luisterde . . . en uw droevig lied
behaagde God, o ruisend riet!
O neen toch, ranke ruisend riet,
mijn ziel misacht uw tale niet;
mijn ziel, die van den zelven God
’t gevoel ontving, op zijn gebod,
t gevoel dat uw geruis verstaat,
wanneer gij op en neder gaat:
o neen, o neen toch, ranke riet,
mijn ziel misacht uw tale niet!
O! ’t ruisen van het ranke riet!
weêrgalleme in mijn droevig lied,
en klagend kome ’t voor uw voet,
Gij, die ons beiden leven doet!
o Gij, die zelf de kranke taal
bemint van enen rieten staal,
verwerp toch ook mijn klachte niet:
ik! arme, kranke, klagend riet!
Gedicht: Guido Gezelle
Foto's: © FotoAnna
Nog nat van tranen
Hij schiep
een handvol wolken
in de lucht
Gevat door wind
ontplooiden zij in wit
onderkanten zwart gevlakt
Met schaduwen
nog nat van tranen
raakten zij het droge land
Ik ben geen regenmaker
zei de zon maar warm slechts
lucht tot aan het koud plafond
Gedicht: Wil Melker
Foto: © FotoAnna