Witte Dovenetel
De witte dovenetel is in Europa een algemeen voorkomende, overblijvende plant. Ondergronds kent
de plant ver vertakte uitlopers. De vierkante, holle stengel is afstaand behaard. De bladeren zijn
paarsgewijs tegen-overstaand. Aan de voet van de steel zijn de bladeren hartvormig, aan de top
meer langwerpig. De bladeren zijn evenals die van de brandnetel getand. De naam dovenetel
is hiervan afgeleid, hij brandt namelijk niet. Bovendien is het sap uit de bladeren van de dovenetel
te gebruiken om de pijn van een steek van een brand-netel te verminderen.
Hij 'dooft' als het ware de pijn.
Het meest opvallende kenmerk van de plant zijn de witte (soms geel aanlopende) bloemen.
Deze ontspringen in het bovenste deel van de plant kransvormig rondom de plaats waar
de bladeren uit de stengel komen. Zo'n krans bestaat uit acht of meer lipvormige, 2-4 cm
grote bloemen. Elk van de bloemen heeft een lange, ge-bogen kroonbuis en een vijftandige
kelk. De voorste twee van de vier meeldraden zijn langer dan de andere twee.De bloeitijd is
van april tot oktober. De plant kan tot anderhalf meter hoog worden, maar blijft afhankelijk
van seizoen, standplaats en klimaat ook steken bij 30-40 cm.
Het zaad heeft een mierenbroodje (elaiosoom), waardoor het door mieren verspreid wordt.
Een mieren-broodje is een aanhangsel aan zaden of vruchten van sommige planten-
soorten, dat als voedsel kan dienen voor mieren. Het mierenbroodje is een uitgroeisel van
de zaadhuid. Hierdoor verspreiden de mieren de zaden verder van de plant af. Deze
wijze van verspreiden heet myrmecochorie (Grieks Myrmeco = mier; chorous = verspreiden).
Bron: Wikipedia
Foto's: © FotoAnna
Nachtelijk gedanst
En de tango sijpelt zachtjes binnen,
maakt me vol van melancholie en tristesse,
maakt me zacht en week van binnen.
Enkel de sterren weten wat schoonheid is,
die gedachte maakt me stralend.
En de tango nestelt zich,
terwijl alles ongenesteld ronddwarrelt in mij.
‘t Regent, de zon schijnt,
kleuren vallen één voor één op m’n tere bestaan neer.
En de tango ebt weg,
net zoals de sterren die de schoonheid weer meenemen op hun tocht.
Heldere sporen blijven over,
die ik zorgvuldig uitwis.
en de tango verdwijnt…
Gedicht: de Schrijvelaar
Foto: © FotoAnna
Klein koolwitje
Het Klein Koolwitje, ook wel Knollenwitje genoemd, is in onze tuinen waarschijnlijk
wel de meest algemene dagvlinder. De eerste generatie vliegt van half maart tot
in juni, de tweede van begin juli tot begin september en de derde van september
tot in oktober. Soms is er zelfs nog een vierde generatie. Bij de vlinders van de
eerste generatie is de tekening aan de bovenkant van de voorvleugels lichter dan
bij de volgende generaties.
Hoewel de rupsen minder schade aan de koolplanten toebrengen dan die van de
Groot Koolwitje, vormen ze soms een lastiger plaag, omdat ze moeilijk te ont-
dekken zijn. Ze zijn klein en goed gecamoufleerd door hun bladgroene kleur, en
ze leven anders dan de rupsen van het Groot Koolwitje, solitair. Bovendien
beginnen ze in het hart van de plant en verplaatsen zich dan geleidelijk naar de
buitenste bladeren, zodat de schade grotendeels al is toegebracht tegen de tijd
dat men ze ontdekt.
Zoals zijn naam al aangeeft is deze soort kleiner dan het Groot Koolwitje. Omdat
ze dezelfde voedselplanten hebben en in de zelfde tijd vliegen, worden ze vaak
met elkaar verward. Het Groot Koolwitje is echter niet alleen groter, maar heeft
ook bredere vleugels en een duidelijker tekening.
© FotoAnna
Gewoon Haarmos
Gewoon haarmos is een tweehuizige plant. De mannelijke planten ontwikkelen
een stervormig perigonium. De sporofyt bestaat uit een sporenkapsel of sporogoon
op een 5 tot 9 cm lange steel. De sporogonen zijn blok- of tonvormig, met vier
langse ribben, en gaan bij rijpheid knikken. Anders dan bij het fraai haarmos
(P. formosum) is er op de overgang tussen steel en sporenkapsel een afgescheiden
schijfje te zien. Jonge sporenkapsels worden bedekt door een puntig, lichtgeel tot
lichtbruin behaard huikje.
Bron: Wikipedia
Foto: © FotoAnna